Tamara Breugelmans

Techniek en Wetenschap

Fotografie

1816

In 1816 maakte Joseph Nicéphore Niépce foto's door een plaat met een lichtgevoelig materiaal in een camera obscura bloot te stellen aan licht. Helaas ging het beeld door verdere belichting buiten de camera obscura verloren.

Telegrafie

1837

Ontwerp Difference Engine 2

1841 - 1849

Ontwerp door Charles Babbage van de eerste geautomatiseerde, programmeerbare en mechanische rekenmachine. Een voorloper op de computer, maar helaas nooit tot realisatie gekomen, omdat hij constant het ontwerp veranderde.

Telefoon

1876

Uitgevonden door Alexander Graham Bell.

Fonograaf

1877

Thomas Alva Edison heeft met het uitvinden van de dictafoon de gramafoonspeler bedacht. Hij tekent een apparaat, bestaande uit een cilinder met een stuk stannioolfolie eromheen, daarop een trechter met daaraan een naaldweergever. Nadat hij het toestel heeft laten bouwen komt hij er achter dat door de trillingen putjes in het bladtin gegraveerd worden. Edison roept het kinderrijmpje "Mary had a little lamb" in de trechter, waarbij de naald in het ritme van zijn stemtrillingen putjes in de folie maakt. Bij het verplaatsen van de naald klinkt zachtjes uit de trechter "Mary had a little lamb".

Gramafoon

1887

Emile Berliner patenteert zijn "Gramophone", een apparaat dat voor het eerst lijkt op de platenspeler zoals we die in de rest van de 20e eeuw hebben gekend. Hij maakt gebruik van een zinken schijf waarop een mengsel van bijenwas en benzine-oplossing is aangebracht. Tijdens de opname krast de naald in deze laag. Na afloop wordt de schijf in een bad van chroom en azijn gedompeld, waardoor de weggekraste plekken worden geëtst. Hierna is de opname afspeelbaar. Bij deze techniek wordt gebruikgemaakt van zijschrift, waarbij de naald zijdelings beweegt, in plaats van op-en-neer.

KODAK

1888

De Amerikaan George Eastman bracht de eerste fotocamera met rolfilm voor het grote publiek uit. Deze camera kreeg de naam "KODAK". Hiermee konden 100 opnames per filmrol worden gemaakt. Als de rol vol was stuurde de fotograaf de camera met filmrol naar de Eastman Kodak Company. Vervolgens drukte het bedrijf de foto's tegen betaling af en stuurde de afgedrukte foto's én de camera met nieuwe filmrol weer terug naar de fotograaf.

Kinetoscoop

1893

Op de wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago introduceerde Thomas Edison een nieuwe uitvinding aan het publiek, de Kinetoscoop, de eerste filmprojector. Dit was een kastje waarin een celluloidfilm van Dickons door een elektrische motor werd aangedreven. Door een gloeilamp die door een lens scheen kon de kijker door middel van een oculair naar de beelden op de film kijken. Dickson en Edison werkten samen, Dickson maakte de films, van onderwerpen als acrobatiek, zangers en boksen, en Edison verzorgde de techniek.

Filmprojector

1896

Robert W. Paul en Birt bouwden Acres een verbeterde versie van Edisons kinetoscoop. Paul had het idee om films te vertonen aan meer dan een persoon. Dat was tot dan toe onmogelijk met Edisons uitvinding. Paul vond een filmprojector uit, en vertoonde daarmee zijn eerste film aan het publiek in 1896.

Radio

1901

Uitgevonden door Guglielmo Marconi.

Vitaphone-systeem

1926

In 1926 introduceerde Warner bros. het Vitaphone-systeem, waarmee geluidseffecten en orkestmuziek toegevoegd kon worden aan films.

Televisie

1930 - 1940

In deze periode zijn veel wetenschappers bezig geweest met het ontwikkelen van de televisie in allerlei vormen en maten. Er kan niet een iemand aangewezen worden voor deze uitvinding, omdat zij allemaal op elkaars ideeën voortborduurden.

Magnetische geluidopname

1932

Tijdens de kerstuitzending maakt de Britse BBC als eerste ter wereld gebruik van een magnetische opname. Het is een enorme machine waarop een staalband wordt afgespeeld. De band van 3 mm breed en 0,08 mm dik, draait met een snelheid van 1,5 meter per seconde om de gewenste geluidskwaliteit te produceren. Voor een opname van een half uur is een band van 2,7 kilometer nodig, waardoor een spoel wel 25 kg weegt. In verband met de veiligheid, staat het apparaat in een afzonderlijke ruimte en wordt bediend via afstandsbediening. Het breken van de vlijmscherpe staalband zou door de hoge snelheid bij het personeel gemakkelijk ernstige verwondingen, of erger kunnen veroorzaken.

K1 Magnetophon

1935

Ontwikkelaars bij het Duitse AEG presenteren de "K1 magnetophon", de eerste recorder die gebruik maakt van een papieren band met een laag van ijzeroxide-poeder, die ontwikkeld is door BASF. Een aantal jaar later gaat bij een brand de gehele productie-eenheid van de papieren geluidsband verloren. Hierdoor is men gedwongen snel te zoeken naar een alternatief en dat resulteert in PVC-band.

Colossus

1943

De eerste electronische computer, ontworpen in Engeland. De Colossus was opgebouwd uit twee grote rekken met ongeveer 1500 elektronenbuizen voor de tellers, schuifregisters en logische bewerkingen. Hij had een systeem om ponsbanden te lezen met de Baudotcode, zoals ook de telexmachines in die tijd gebruikten, maar dan met fotosensors in plaats van mechanische aftasting. Het leessysteem haalde een snelheid van 5000 karakters per seconde. De Colossus kon geprogrammeerd worden via een paneel met schakelaars, stekkers en kabels. Om geen gebruik te moeten maken van ponsbanden tijdens de cyclus van berekeningen gebruikte men een enorm aantal elektronenbuizen om de gegevens tijdens de verwerking op te slaan, wat meteen een aanzienlijke snelheidswinst betekende. Bovendien maakte het parallelle ontwerp van de Colossus hem ongelofelijk snel.

ENIAC

1946

De ENIAC was een computer gebouwd voor het Amerikaanse leger en voltooid in 1946. Daarmee was de ENIAC de tweede elektronische computer die gebouwd werd, na de Britse Colossus. De naam is een afkorting en staat voor Electronic Numerical Integrator And Computer.

Ampex 200

1948

De eerste commerciële bandrecorder komt in de Verenigde Staten op de markt, de "Ampex 200".

3D-film

1950

In de jaren 50 werd er met de anaglyphmethode geprojecteerd. Anaglyph is een methode om stereofoto's te bekijken. Bij anaglyph worden twee aparte beelden over elkaar getoond, een rood beeld voor het linker- en een cyaan beeld voor het rechteroog. Deze beelden worden bij het bekijken weer gesplitst, door ze met een speciale bril te bekijken. Deze zogenoemde 'anaglyphbril' (een brilletje met een rood filter links, en een cyaan filter rechts) filtert uit de anaglyphafbeelding twee verschillende beelden. Het linker oog ziet alleen het beeld in rood, en het rechteroog ziet alleen het beeld in cyaan (groen plus blauw).

Kleuren televisie

1956

Op 10 april 1956 realiseerde Philips zijn eerste experimentele kleurentelevisie-uitzending. Het was pas tot de jaren zeventig/tachtig dat kleurentelevisie de standaard werd, omdat het voorheen te duur was voor de gemiddelde mens.

Videorecorder

1956

De eerste videorecorder met roterende koppen (transversale recording), de VR-1000, werd gedemonstreerd in 1956. Met deze machine konden voor het eerst bandopnamen van tv-signalen in bevredigende (zwart-wit)kwaliteit gemaakt worden. Ampextapes (open-reel-spoelen) zijn gefabriceerd op 1 en 2 inch breedte.

Compact Casette

1963

Een Compact Casette is een magneetband die wordt gebruikt als geluidsdrager, in een speciaal daarvoor gemaakte vaste doos (cassette). De compact cassette is een ontwikkeling geweest van Philips in 1963 in zijn vestiging in Hasselt. Om deze af te kunnen spelen kwamen casettespelers op de markt.

Computerspel

1968

Televisietechnicus Ralph Baer vatte het idee van interactieve televisie op in 1951 toen hij werkzaam was voor Loral Electronics in New York, Verenigde Staten. Er werd uiteindelijk geen computerspel(systeem) geproduceerd omdat zijn werkgever het ontwerp verwierp, maar hij hervatte dit pionierswerk in 1966 toen voor hij Sanders Associates werkte. Baer creëerde een eenvoudig computerspelletje met de titel Chase en op een standaard televisietoestel kon worden getoond. Hij zette de ontwikkeling voort en in 1968 had hij een prototype ontwikkeld dat meerdere verschillende spellen kon spelen, waaronder tafeltennisspellen en doelschietspellen.

ARPANET

1969

De grondslag van het internet. Het Advanced Research Project Agency werd opgericht door het Amerikaanse Ministerie van Defensie als reactie op de lancering van de Spoetnik 1. Doel hiervan was de oprichting van een technologie waardoor waardoor de Amerikanen niet meer verrast konden worden door een technologisch geavanceerde vijand. Een van de projecten van ARPA was het ontwikkelen van een efficiente manier waarop universitaire instellingen die voor ARPA werkten elkaars verschillende computersystemen konden gebruiken. Om dat systeem zo veilig en betrouwbaar mogelijk te laten zijn werd ervoor gekozen om gegevens op te splitsen in kleine pakketjes, deze individueel op te sturen en op de plaats van bestemming konden deze weer samengevoegd worden tot het oorspronkelijke bericht. Hierdoor zou het systeem minder gevoelig zijn voor onderbrekingen in het netwerk.

IMAX-film

1970

IMAX is een filmformaat dat is ontworpen door de IMAX Corporation. Films kunnen op een veel groter scherm worden weergegeven dan op normale filmschermen. Door de hoge resolutie is het beeld toch nog scherp. Een standaard IMAX-scherm is 22 meter breed en 16 meter hoog, maar kan ook groter zijn. Films zijn vaak digitaal, en anders een 70 mm film.

Maganov Odyssey

1972

In 1972 zag de eerste versie van de eerste spelcomputer voor thuisgebruik het levenslicht, de Magnavox Odyssey. Deze was hoofdzakelijk gebouwd met analoge elektronica en was gebaseerd op Baers pionierswerk, onder een licentie die van Sanders Associates was verworven. De spelcomputer werd met een standaard televisietoestel verbonden. Het was geen groot succes, hoewel andere bedrijven met gelijksoortige producten (waaronder Atari) voor een bepaalde periode een licentievergoeding moesten betalen.

ARPANET beschikbaar voor publiek

1972

Het ARPANET werd opengesteld voor niet-universiteiten en overheidsinstellingen.

Motorola DynaTAC 8000X

1973

De Motorola DynaTAC 8000X was de eerste commerciële mobiele telefoon. In 1983 begon de verkoop in de Verenigde Staten. Dr. Martin Cooper van Motorola hield het eerste mobiele telefoongesprek op 3 april 1973 met Joel Engel van Bell Labs. Hij gebruikte daarvoor een prototype van de DynaTAC 8000X.

TCP/IP

1974

Door ARPA en Stanford werd een standaard protocol uitgewerkt om verschillende netwerken via het ARPANET te laten communiceren, het Transmission Control Protocol/Internet Protocol (TCP/IP).

VHS

1976

VHS (Video Home System) is een opname- en afspeelstandaard voor videorecorders.
Het heeft een beeldresolutie van 240 beeldlijnen. De eerste VHS-videorecorder werd in september 1976 geïntroduceerd door JVC. Andere formaten zouden volgen, zoals Betamax van Sony en Video 2000 van Philips, maar VHS werd uiteindelijk de algemeen geaccepteerde norm voor de videorecorder na een formaatoorlog. In 1987 kwam een verbeterde versie op de markt onder de naam Super-VHS.

Walkman

1979

De walkman is bedacht door Masaru Ibuka, samen met Morita-san, oprichter van Sony. Het staat voor een op batterijen werkend apparaat dat compact cassettes afspeelt via een hoofdtelefoon en meegenomen kan worden tijdens het wandelen of fietsen.

Personal Computer

1981

Eind 1980 werd er bij IBM onder leiding van Don Estridge een groep van 12 technici en ontwerpers bij elkaar gezet onder de naam Entry Systems Division. Ze kregen als opdracht een echte personal computer te ontwikkelen. IBM vond de al bestaande machine, de 5100 serie, daar niet geschikt voor. Het team integreerde de eigenschappen van bestaande ontwerpen op de markt en slaagde er in binnen een jaar met een eigen ontwerp te komen. Ze deden zo min mogelijk zelf en kochten de componenten bij andere bedrijven. Dat betekende een open uitnodiging om op de rails te springen en mee te doen. IBM kocht bijvoorbeeld van het toen volstrekt onbekende en kleine bedrijfje Microsoft een nog te ontwikkelen besturingssysteem voor de personal Computer.

Digitale fotografie

1981

Digitale fotografie is het vastleggen van beelden met behulp van een digitale camera, waarin zich een lichtgevoelige beeldchip bevindt die met de elektronica en software voor de beeldopbouw en vastlegging zorgt. Er wordt dus niet meer gebruik gemaakt van een filmrolletje.

Compact Disc

1982

Bij deze uitvinding van Philips en Sony worden de gegevens afgelezen zonder fysiek contact met het medium. Met behulp van een spiegelmechanisme wordt een gereflecteerde laserstraal afgebogen, waarbij de reeks digitale "nullen" en "enen" als geluid wordt geïnterpreteerd (CD-speler). Op een normale audio-cd wordt ongecomprimeerd geluid opgeslagen en kan 45-80 minuten muziek worden opgeslagen.

Laptop

1982

Een van de eerste computers die men met recht laptop zou kunnen noemen, was de GRiD Compass die in 1982 op de markt kwam - maar door zijn hoge prijs (ca. USD 8000) vooral terechtkwam bij managers en de Amerikaanse overheid. Vanaf halverwege de jaren 1980 kwamen fabrikanten als Toshiba met 'betaalbare' laptops.

Analoge Videocamera

1982

In 1982 kwam Sony met de eerste professionele analoge videocamera die 25 frames (beeldjes) per seconde maakte. Deze camera maakte gebruik van het Beta max formaat, andere formaten waren VCC (Philips) en VHS. Het VHS formaat werd uiteindelijk het standaard formaat.

Nintendo Entertainment System

1983

Een van de eerste commerciële spelcomputers.

ARPANET stapt geheel over op TCP/IP

1983

ARPANET stapte geheel over op TCP/IP voor het gegevenstransport over het netwerk. Hiermee was het eigenlijke internet geboren.

Discman

1984

Discman is de bijnaam die Sony heeft gegeven aan zijn eerste draagbare cd-speler, de D-50.

Tablet

1987

De eerste tablet die toegankelijk was voor het publiek is de GRiDPad.

Gameboy

1989

Een Game Boy is een draagbare spelcomputer ontwikkeld door het Japanse bedrijf Nintendo.

World Wide Web

1990

Betreft een aantal technische afspraken voor het wereldwijd over het internet aanbieden en verbinden van allerhande documenten en computertoepassingen. En duidt ook aan de verzameling documenten en toepassingen die wereldwijd volgens dit systeem over het internet worden aangeboden.

Internet beschikbaar voor commerciële doeleinden

1991

PDA

1993

De IBM Simon was de eerste PDA (persoonlijk digitale assistent). Consumenten konden het toestel gebruiken als kalender, adressenboek, klok, rekenmachine en als kladblok. Ook was het mogelijk om e-mails te versturen en games te spelen.

Online zoekmachines

1993

Online webwinkel

1994

Playstation

1995

DVD

1995

De afkorting dvd staat voor Digital Versatile Disc. Gedurende een groot gedeelte van de ontwikkelingsperiode van de dvd-technologie was de doelstelling een optische schijf voor de opslag van video te ontwikkelen, zoals de cd initieel voor audio was ontwikkeld. Vandaar de benaming Digital Video Disc, afgekort tot dvd. In de eindfase van de ontwikkeling, terwijl men zich klaarmaakte voor marktintroductie werd op het laatste moment bedacht dat deze benaming te beperkt was - een dvd is lang niet alleen voor video bruikbaar. Omdat de afkorting dvd al behoorlijk was ingeburgerd, koos men ervoor deze niet te veranderen, maar daarentegen de volledige naam te veranderen in Digital Versatile Disc - digitale veelzijdige schijf.

Toepassing MP3

1995

MPEG-1 Layer 3 (ook wel MP3) is een manier om geluid te comprimeren en is daarmee een broncodering-techniek. Uitgevonden door Fraunhofer-instituut.

Online radio

1995

Een toepassing van Java en Javascript.

Digitale Videocamera

1996

Het video formaat codeert video op een magneetband in een digitaal formaat met DCT-compressietechniek. De DV-tape bestaat in 2 formaten: MiniDV en DV. Beide slaan de video-opname op met 25 megabit per seconde, wat ongeveer overeen komt met 3,6 megabyte per seconde. De opslagcapaciteit van de MiniDV-cassettes ligt rond de 12,66 gigabyte voor een 60 minutencassette. Voor de cosument werd dit de doorbraak van de homevideo. Was de 8mm en de video camera nog voor de liefhebber, de DV camera werd onderdeel van menig middenklasse huishouden.

Internettelefonie

1996

Sociale netwerk

1997

SixDegrees.com was het eerste sociale netwerk.

Mp3-speler

1998

Het Zuid-Koreaanse bedrijf "SaeHan Information Systems" brengt de eerste mp3-speler op de markt. Het flashgeheugen kan 32Mb aan data bevatten.

Portaalsites

1998

In internetverkeer wordt portaal gebruikt als een webpagina die dienst doet als "toegangspoort" tot een reeks andere websites, die over hetzelfde onderwerp gaan. Soms dus synoniem van start- of hoofdpagina, maar meestal ook als vertrekpunt en overzichtstabel voor verdere navigatie binnen een onderwerp.

Webblogs

1999

Opkomst van het internetbankieren

1999

USB-stick

2000

Introductie van de USB-stick, waarbij de eerste uitvoering een geheugen van 8 MB bevat.

Nupedia

2000

Opkomst van Nupedia, de voorloper van Wikipedia. Men had behoefte aan een gratis encyclopedie die gratis zou zijn voor alle internetgebruikers. Een jaar later wordt Wikipedia opgericht.

Toepassingen van draadloos internet

2000

Xbox

2001

De Xbox is een spelcomputer van Microsoft.

Ipod

2001

Apple brengt de eerste iPod mediaspeler op de markt. Deze hebben een harde schijf en kunnen veel meer opslaan dan de mp3-spelers van die tijd.

Tapeloze Videocamera

2003

Rond 2003 kwam Sony met een video camera waar direct op een geheugen kaart of harde schijf opgenomen kon worden. Deze video's kunnen direct op de computer worden ingeladen. Er wordt niet meer met tapes gewerkt wat het gebruikersgemak verbeterde. Camera's met een SD kaart hoeven niet eens meer op de computer te worden aangesloten, de kaart kan uit de video worden gehaald en in de computer worden gedaan.

Facebook

2004

Podcasting

2004

Podcasten is het aanbieden van mediabestanden op aanvraag door middel van webfeeds. De webfeed bevat een verwijzing naar de mediabestanden. Een webfeed is een alternatieve, versimpelde weergave van online inhoud.

Folksonomie

2005

Mensen kunnen zelf als individu classificeringen aanbrengen, zogenaamde tags.

Youtube

2005

Web 2.0

2005

Web 2.0 verwijst naar de ontwikkeling van internet tot een interactief medium waarbij gebruikers informatie beginnen uploaden en niet enkel downloaden.

Iphone

2007

Opkomst van de smartphones.

Doorbraak cloudcomputing

2009

Het via het internet op aanvraag beschikbaar stellen van hardware, software en gegevens.

Productivity Future Vision

2011

Microsoft

Historische gebeurtenissen

Eerste Wereldoorlog

1914 - 1918

Tweede Wereldoorlog

1940 - 1945

Koude Oorlog

1947 - 1991

Spoetnik I

1957

Met de lancering van de Spoetnik I, een satelliet, door de USSR besefte de Amerikanen dat zij niet zo machtig en onaantastbaar waren als zij dachten.

Arabische lente

2010 - 2013

De directe aanleiding van de protesten in Tunesië was de dood van de 26-jarige straathandelaar Mohammed Bouazizi, die zichzelf in brand stak nadat hij geen werk kon vinden en getergd werd door corruptie. De dagen die volgden waren er steeds protesten in Mohammeds woonplaats, Sidi Bouzid, om hem te herdenken. De protesten waren gericht tegen de corrupte Destourianpartij die al jaren de scepter zwaait en geleid werd door Zine El Abidine Ben Ali. Vakbonden, advocaten, studenten en internetactivisten sloten zich aan bij het protest dat zich over het land verspreidde en uitten de ontevredenheid over de repressie, de hoge werkloosheid en de stijgende voedselprijzen. Nadat de politie eerst de protesten met geweld wilden uiteenslaan, schakelde Ben Ali het leger in. Toen bleek dat deze niet bereid waren op het volk te schieten vluchtte Ben Ali het land uit. De revolutie in Tunesië wordt gezien als de vallende dominosteen die de protesten in de andere Arabische landen startte.

In Egypte vonden grote demonstraties plaats met als middelpunt het Tahrirplein in de hoofdstad Caïro. Onder andere via sociaalnetwerksites riepen jongeren op om te protesteren tegen het regime van Hosni Moebarak. Deze trad af op 11 februari 2011.

Theoretische concepten

Communicatie als een wiskundig probleem (Shannon en Weaver)

1948 - 1949

Beiden zien communicatie als een technisch probleem waarbij codering centraal staat. Zij kijken niet naar de betekenis of de impact op de samenleving.

Volgens Weaver zijn er 3 niveaus waarop communicatie geanalyseerd kan worden:
- A: hoe accuraat een signaal overgebracht kan worden.
- B: hoe dichtbij de verzonden informatie komt bij de betekenis (semantiek)
- C: De impact op de samenleving.
Volgens Shannon en Weaver is niveau A het belangrijkst, omdat die B en C beïnvloedt.

Interactie: warme en koude media (McLuhan)

1964

Volgens McLuhan zijn warme media media waarbij je maar één zintuig heel intensief gebruikt, zoals een boek of film. Bij koude media gebruik je meerdere zintuigen, maar minder gefocussed, zoals tv. Omdat er bij warme media maar één zintuig wordt gebruikt zijn deze minder actief. Dit komt omdat zij om minder invulling vragen: de informatie is van hogere concentratie, dus hoef je minder te doen.

Het medium bepaalt de boodschap (McLuhan)

1964 - 1967

McLuhan stelt dat er zonder uitingsvorm geen informatie is. Het medium bepaalt hoe de boodschap eruit komt te zien en daardoor kan het anders overkomen dan bedoeld is.

Archief als systeem van in- en uitsluiting bepaald door machthebber (Focault)

1972

Focault ziet het archief als een gesloten systeem. Het is een systeem van in- en uitsluiting, dat wordt bepaald door iemand met macht. Archieven bepalen de geschiedenis en daarmee weer het geheugen. Degenen die de macht hebben over het archief bepalen dus eigenlijk de geschiedenis.

Gane en Beer geven hier als kritiek hier dat het aspect van democratie en openheid ontbreekt in zijn theorie.

Informatie en de verandering van kennis (Lyotard)

1979 - 1993

Lyotard stelt dat kennis niet onveranderd kan blijven in een tijdperk van nieuwe media. Hij is van mening dat in een kapitalistische samenleving kennis wordt gereduceerd tot informatie, zodat de kennis kan worden verwerkt door media, een vorm waar het kapitalisme mee kan werken, en dat deze hierdoor ook sneller gebruikt kan worden. Hierdoor is kennis anders dan informatie, want kennis vereist reflectie en informatie is te snel geworden om daar bij stil te staan.

prosumer (Toffler)

1980

professional/producer <> consumer

Communicatie en het medium moeten los van elkaar worden gezien (Habermans)

1984

Habermans stelt juist dat communicatie en het medium afzonderlijk moeten worden gezien.

Sociale Netwerk Analyse (Wellman en Berkovitz)

1988 - 1999

Volgens Wellman en Berkovitz begint een analyse van sociale netwerken bij het bestuderen van de relaties als de basis van een sociale structuur. Dit alles kan weer een model vormen. Deze wiskundige benadering betekent echter niet dat sociale netwerkanalyse enkel kwantitatief is. Het zwaartepunt binnen deze analyse ligt namelijk op de kwaliteit van de relaties tussen de knooppunten. Zij stellen daarnaast dat voor de uitvinding van het internet de samenleving als is veranderd is naar een individuele samenleving. Volgnes hen bestaan de meeste relaties op het internet ook in het echte leven.

Het medium bepaalt onze situatie (Kittler)

1990 - 1999

Volgens Kittler bepaalt het medium onze situatie en daarom dient die geanalyseerd te worden. Die analyse levert drie obstakels op:
- 1: het meerendeel van media technologiën vindt haar oorsprong in het leger. Daardoor zijn veel historische details staatsgeheim en dus niet toegankelijk.
- 2: Media kan alleen geanalyseerd worden door andere media, waardoor het dus lastig is om kritische afstand te krijgen van de technologiën die geanalyseerd dienen te worden.
- 3: de informatie die media produceren bestaan uit codes die zijn ontwikkeld om enkel door die media ontcijferd te worden.

Interface: alles kan met elkaar verbonden worden (Haraway

1991

Haraway stelt dat alles met elkaar kan worden verbonden als er een gemeenschappelijk taal wordt afgesproken om te kunnen communiceren. Dit is gedeeltelijk tegengehouden door de kapitalistische markt, die de macht heeft over de netwerken en apparaten die interfaces verbindt. Zij doen dit doormiddel van media zo te maken dat ze alleen met bepaalde platformen en protocols te verbinden zijn. Aan de andere kant heeft zij wel gelijk, want de opkomst van opennetwerken wordt niet enkel gedomineerd door het kapitalisme. Daarnaast zijn er ook commerciële interesses om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk netwerken met elkaar verbonden kunnen worden.

Informatie als codering (Haraway)

1991 - 1997

Haraway ziet informatie als codering. Die codes kunnen aan elkaar gelijk gesteld worden en daardoor met elkaar verbonden worden. Op die manier kan een (levend) organisme met een techniek gekoppeld worden.

Zij stelt ook dat macht evengoed in informatiesystemen berust als in de traditionele vormen vormen, zoals kapitaal. Kennis is macht.

Cyborg (Harraway)

1991

Voor Haraway zijn de grenzen tussen mens, dier en machine niet meer duidelijk nu dat er sprake is van nieuwe hybride schepsel: cyborgs, dat organisme en machine is.
Volgens Gane en Beer is er in dit technologisch tijdperk sprake van posthuman: het menselijk lichaam is niet langer gebonden aan de natuur, maar staat open voor technologisch modificatie, waarmee het idee van de mens begint te verdwijnen.

Het internet verandert het archief (Caygill)

1991 - 1999

Volgens Howard Caygill verandert het internet de structuur van het archief en daarmee de vorm van het collectief geheugen.

Orders van simularca (Baudrillard)

1993

Baudrillard stelt dat het van belang is dat we de verandering van productie naar consumeringsamenleving na gaan en op die manier nadenken over de verbindingen tussen objecten, tekens en technologieën. De economie van tekens en de daarbij behorende sociale status verandert met de overgang van de Renaissance naar het geïndustrialiseerde tijdperk. Het zwaartepunt ligt nu niet langer op het kopiëren van natuur, maar op de massaproductie van identieke dingen die geen wortels meer hebben in de natuur. Volgens hem geeft dit het tijdperk van de series aan: de mogelijkheid van twee dezelfde objecten, in plaats van de reproductie van een origineel. Er is geen sprake meer van kopieën van een origineel, zoals in de eerste fase, of van pure series zoals in de tweede; er zijn enkel modellen waarvan elke vorm verschilt van elkaar. Technologieën vormen onze kennis van de wereld en daarmee vervagen de grenzen tussen wat echt is en virtueel.

Archief als een gesloten systeem (Derrida)

1996

Derrida gaat uit van de traditionele betekenis van het woord, namelijk dat het archief een privaat iets is. Aan het archief zit ook een vorm van macht vastgekleefd, namelijk de machthebber die toegang verschaft tot het archief. Hij kijkt in zijn werk echter niet verder dan het medium van email, wat inderdaad niet publiekelijk toegankelijk is. Gane en Beer geven als kritiek dat er in 1996 meerdere media bestonden buiten de email, die als archief konden dienen en die wel publiek toegankelijk waren.

Interface is wat tussen mens en machine staat (Poster)

1996

Poster stelt dat een interface iets is wat tussen de mens en de machine staat. Het is iets wat hen scheidt, maar ook twee verschillende werelden met elkaar in verbinding brengt.

Netwerk Society (Castells)

1996 - 2001

Castells gebruikt het concept netwerk als symbool voor een samenleving die gedecentraliseerd, flexibel en individueel is. Dit is anders dan de netwerken in de techniek, omdat het idee dat een netwerk werkt door een hiërarchisch proces van controle hier niet meer van toepassing is. Castells’ idee van een netwerksamenleving is een sociale structuur die wordt gekenmerkt door de transformatie van geleefde tijd en ruimte naar een structuur van tijdloze tijd en ruimte met allerlei stromen. Castells bedoelt met een structuur van tijdloze tijd een structuur van directe informatie uitwisseling waarin geen tijd is voor reflectie. De ruimte met verschillende stromen bestaat uit knopen en kruispunten die een uitgesproken functie hebben en die verbonden zijn door ingewikkelde relaties. Voor Castells is een netwerk een duidelijk ruimtelijke vorm die gekenmerkt wordt door de verbindingen met fysieke knooppunten of plekken. Daarnaast stelt Castells dat de economische markt een netwerk is dat ontwikkeld is om de stroom van kapitaal en informatie zo gemakkelijk mogelijk over de wereld te verspreiden. Volgens hem plaatsen individuen zichzelf in sociale netwerken, niet omdat zij tot een gemeenschap willen behoren, maar vanwege persoonlijk belang.

Informatie samenleving (Castells)

1996

Een samenleving gebaseerd op een kenniseconomie, dus gebaseerd op de uitwisseling van informatie. Informatie brengt hiermee een nieuwe vorm van kapitalisme voort.

De illusie dat er niets anders is dan simulatie (Kittler)

1997

Kittler gebruikt McLuhan’ theorie om aan te tonen dat het medium structuur geeft aan de inhoud ervan en niet andersom. Volgens Kittler bestaat de illusie dat er niets anders is dan software, of simulatie, omdat de onderliggende hardware van het systeem verborgen blijft voor de gebruiker en het programma dat wordt uitgevoerd. Daarnaast refereert de veilige modus naar een serie van ingebouwde functies, ontwikkeld om het opererende systeem en machines te beschermen tegen zijn gebruikers. Zo’n modus heeft een autoritaire vorm en bepaalt de mogelijkheden van een systeem. De gebruikersvriendelijkheid komt dus met een prijs: diepgewortelde machtstructuren en eenrichtingsfuncties vanwege de voorgeprogrammeerde mogelijkheden. In dit opzicht heeft de machine dus de macht over de gebruiker en niet andersom. Centraal staat de technologie van media en hoe zij haar gesimuleerde omgeving vormt.

Interface als vertaler (Johnson)

1997

Volgens Johnson dient een interface als een vertaler, die bemiddelt tussen twee partijen en er voor zorgt dat zij elkaar begrijpen.

Simulatie: eindeloos veel kopieën die allemaal hetzelfde zijn (Perry)

1998

Perry gaat door op Baudrillard’ theorie en stelt dat het niet langer mogelijk is om het onderscheid te maken tussen realiteit en representatie. Er worden volgens hem eindeloos veel kopieën gemaakt, die in principe allemaal hetzelfde zijn.

Actor Network Theory (Law en Latour)

1999

Volgens Law bestaat die theorie uit twee delen: het idee dat een entiteit voortkomt uit relaties en vervolgens wat die entiteiten precies worden dankzij hun relatie tot anderen. Law stelt dat er bij een netwerk wordt uitgegaan van dat alle entiteiten met elkaar te verbinden zijn en daardoor dus gelijk zijn. Volgens hem zegt dat niet genoeg hoe die verbindingen gemaakt worden en hoe dat de entiteiten vormt.

Latour is geïnteresseerd in hoe entiteiten worden gevormd en veranderen zodra zij met elkaar verbonden zijn. Hij gebruikt hierbij het concept van een rhizoom (Deleuze en Guattari): een netwerk wordt als een dynamisch systeem gezien waarin entiteiten met elkaar in contact worden gebracht op een manier die niet eerder mogelijk was. Volgens hem gaat de aandacht voor de details van hoe entiteiten worden gevormd in de onlinewereld verloren, omdat in de onlinewereld verbindingen snel en routinematig worden gemaakt. Hij stelt dat de term netwerk nog steeds nuttig is, maar wat van belang is zijn de relaties die gemaakt worden. Volgens hem zijn actoren niet passieve entiteiten die uitgelegd kunnen worden door grote sociale krachten, maar dienen zij individueel onderzocht te worden.

Interface: skeumorph (Hayles)

1999

Hayles stelt ook dat ideeën van technische geschiedenis terug kan worden gevonden in de interface. Zij spreekt van een skeumorph: iets wat zelf niet langer functioneel is, maar refereert naar een eigenschap dat eerder wel functioneel was.

Gesimuleerde omgevingen kunnen nooit puur virtueel zijn (Hayles)

1999

Hayles stelt dat gesimuleerde omgevingen nooit helemaal puur virtueel kunnen zijn, omdat zij geworteld zijn in verschillende materiële technologieën. Zij stelt dat informatie nooit los gezien kan worden van het menselijk lichaam, want om te kunnen bestaan moet het altijd gepresenteerd zijn in een medium: ingebedde virtualiteit. Haar doel is niet om te laten zien dat een mens een machine is, of dat een machine functioneert als een mens, maar juist om de beperkingen te laten zien van het idee dat de mens de mens in controle stelt en aan de andere kant dat het voortbestaan van de mens afhankelijk is van de interface waarin het lichaam en machine elkaar ontmoet, gezien machines hoe dan ook anders zijn in hun belichaming dan de mens.

Informatie kan niet zonder het menselijk lichaam worden gezien (Hayles)

1999 - 2005

Informatie kan niet los worden gezien van de mens. De mens brengt informatie in de materiële wereld. Hayles is het niet eens met het postmodernsubjectieve, waarin het lichaam niet meer van belang is.

Digitale archieven zorgen voor individualisatie (Bauman en Keen)

2000 - 2007

Met de komst van het web 2.0 en de daarbij behorende digitale archieven waarin men hun persoonlijke data kunnen opslaan, wat dan weer toegankelijk is voor andere internetgebruikers in volgens Bauman en Keen een tijdperk van individualisatie ontstaan. Hij is van mening dat men hierdoor enkel op zichzelf gefocust is en niet meer op de samenleving.

Nieuwe-media niet zo democratisch als lijkt (Schultz)

2000

Schultz stelt dat nieuwe-media verschilt van de traditionele media in de zin dat traditionele media gebaseerd zijn op actie- reactie. Nieuwe media-interactie is sneller en, in theorie, democratischer, omdat de gebruiker meer macht heeft. Volgens hem zijn nieuwe-media vaak helemaal niet zo interactief, omdat interactieve-media zo gemaakt worden dat het lijkt alsof de gebruiker interactief is. Zijn focus hier is hoe media georganiseerd zijn om communicatie op specifieke manieren te structureren, in plaats van de interactie tussen mens en machine.

Gebruik van archief via links (Featherstone)

2000

Volgens Mike Featherstone moet het gebruik van een archief via een model van links verlopen en niet meer via een hiërarchisch model, zoals voorheen.

Interactiviteit in het nieuwe-media tijdperk is een mythe (Manovich)

2001

Manovich stelt dat digitale media niets nieuws zijn, omdat de elementen waaruit zij bestaan terug te vinden zijn in bijna elke culturele vorm. Hij ziet interactiviteit als een te vage definitie om nieuwe-media te analyseren. Ook stelt hij dat interactiviteit in een tijd van nieuwe-media een mythe is, omdat de nieuwe mediatechnologieën vaak niet interactiever zijn dan hun analoge voorgangers.

Interface: nieuwe media zijn ontwikkelingen van ouderen (Manovich)

2001

Volgens Manovich zijn nieuwe media ontwikkelingen van oude media. De belangrijkste daarin is voor hem de film: audio-visuele representatie heeft het overgenomen van tekst als de dominante taal van de media. Nieuwe media-interfaces blijven vastzitten aan het medium van het scherm. Een sleutelpunt in dat proces is een zekere vorm van standaardisatie, zeker omdat interfaces op grote schaal worden gebruikt en de neiging hebben om dezelfde eigenschappen te hebben. Echter ziet hij niet een vorm van culturele homogeniteit in dit proces, omdat interface alsnog een hybride vorm van conventies blijft.

Interface als plek waar twee systemen elkaar ontmoeten (Manovich)

2001

Manovich stelt dat interfaces plekken zijn waar twee systemen elkaar ontmoeten: mens en machine, twee mensen, of twee machines. Interfaces maken de vorming van netwerken tussen verschillende dingen mogelijk. Hieruit blijkt dat interfaces zijn toe te wijzen aan alle media die met elkaar communiceren.

Interface-cultuur (Manovich)

2001

Manovich schreef dat de computer een filter voor cultuur is geworden. De interface geeft structuur aan de manier waarop computers culturele data aan ons presenteren en hoe wij er interactie mee hebben.

Interface: nieuwe media zowel bevrijdend als beperkend (Manovich)

2001

Manovich stelt dat selectie inhoudt dat nieuwe media minder ontwikkeld zijn om ons in staat te stellen culturele objecten te maken van niets, maar juist van al voorgemaakte onderdelen. Het aspect van auterschap, en daarmee creativiteit en originaliteit, is daardoor veranderd en verloren gegaan: iedereen met een computer en met weinig vaardigheden kan dingen maken die voorheen aan experts waren toegelegd. Later stelt hij dat mensen juist de controle over computers hebben dankzij interfaces en dat zij actieve gebruikers worden. De taal van culturele-interfaces is namelijk grotendeels opgemaakt uit andere elementen van al bekende culturele vormen.

Simulatie: vervaging geweld en vermaak (Der Derian)

2001

Der Derian gebruikt de theorie van Baudrillard weer voor een analyse van oorlogsvoering, waarin hij kijkt naar de vervaging van de grens tussen geweld en vermaak.

Interactiviteit als model dat subjecten produceert (Barry)

2001

Volgens Berrystelt kan interactiviteit worden gebruikt voor een model dat subjecten produceert. In dit model worden subjecten niet gedisciplineerd, maar worden ze bepaalde condities gegeven waarbinnen de burger actief kan worden in zijn eigen samenleving en de onafhankelijkheid van de burger wordt gestimuleerd.

Gesloten en open systemen van interactiviteit (Manovich)

2001

. Manovich formuleert een aantal interactieve types die gesloten of open in vorm zijn. Aan de ene kant zijn er ingewikkelde en flexibele types met ‘open’ mogelijkheden die verschillende definities kan hebben. Aan de andere kant zijn er gesloten systemen waarin gebruikers uit een aantal streng gedefinieerde opties kan kiezen. Interactiviteit moet worden gezien als een systeem dat opereert op verschillende niveaus langs een as van open- en geslotenheid, afhankelijk van hoe open de basisstructuur is voor gebruikers en verandering.

Traditionele media zijn interactiever (Manovich)

2001

Volgens Manovich hem zijn traditionele media interactiever omdat zij van ons verwachten dat wij in ons hoofd een plaatje ervan maken. Bij de nieuwe-media wordt die al gegeven. Dit zou ervoor zorgen dat wij zelf onze opvattingen, verbeeldingen en zelfs dialogen kunnen maken. Traditionele media zijn volgens Manovich interactief bij definitie.

Is interactiviteit iets technologisch, menselijk of beide? (Kiousis)

2002

Kiousis stelt dat de ervaring van interactiviteit niet simpel het product is van technologische systemen, maar dat het ook afhankelijk is van de opvatting over interactiviteit van de gebruiker en het beoogde effect dat degene wil bereiken van haar machines. Met andere woorden: is interactiviteit iets technologisch, menselijk of beide? Met de komst van de mens als variabele is interactiviteit minder een product van technologie, maar meer een consequentie van sociale factoren die het gebruik van nieuwe-media vormen. Volgens Kiousis moet interactiviteit op twee manieren onderzocht worden: de technologische kant, en het niveau van interactie met een medium dat afhankelijk is van het gebruik van de mens.

Informatiekritiek (Lash)

2002

Informatie is zo snel geworden dat er geen mogelijkheid meer bestaat voor kritiek. Lash is van mening dat daardoor kritiek dus vanuit de informatietechnologieën zelf moet komen. Critici zullen hierdoor dus mee moeten gaan met de technologie: omarm je vijanden om daar kritiek op te kunnen geven.

Relaties niet in afzondering socialenetwerken (Wellman en Haythornwaite)

2002

Samen met Haythornwaite heeft Wellman een studie gedaan naar hoe het internet ingebed is in onze sociale wereld en welke netwerken van relaties zij voortbrengt. Zij stellen dat de relaties van mensen onderling, of van groepen, online niet begrepen kan worden zonder de sociale netwerken waarmee zij verbonden zijn. Volgens hen heeft het internet bijgedragen aan de ontwikkeling dat men is gaan leven in netwerken in plaats van in groepen.

Overheid moet strengere eisen gaan stellen mbt biotechnologieën (Fukuyama)

2002

Fukuyama stelt dat de overheid strenge maatregelen moet gaan stellen met betrekking tot biotechnologieën die de fundering van de mens bedreigen, wat hij daarmee precies bedoeld is niet duidelijk. Hayles levert kritiek op zijn denken door te stellen dat het ook in de natuur van de mens zit om technologie te gebruiken, gezien de mens vanaf het begin al technologie gebruikte. Dit is voor een gedeelte omdat computertechnologieën het referentiekader zijn voor de definitie van de mens en voor het meten van hun capaciteiten.

Grens tussen lichaam en machine is vaag geworden (Kittler)

2002

Bij Kittler doet het idee van belichaming er niet zo zeer toe, omdat de grens tussen het lichaam en de machine vaag is geworden. Daarnaast ziet Kittler het menselijk lichaam als een product van de technologie en niet als autonoom. Kittler’ interesse, samen met McLuhan ligt bij waar technologieën cultuur veranderen en niet andersom. Kittler is echter wel van mening dat McLuhan’ theorie niet diep genoeg gaat, omdat zijn definitie van een medium een extensie is van de mens, en daarmee nog steeds de mens centraal stelt.

Doordringende interfaces (Mitchell)

2003 - 2005

Volgens Mitchel is een consequentie van nieuwe media-interfaces dat ze steeds meer aanwezig zijn in ons alledaags leven en de mogelijkheid bieden voor nieuwe vormen van ruimtelijke informatie, allemaal dankzij de verkleining van de fysieke vormen van interfaces tot het punt waarop we niet meer doorhebben dat ze er zijn. Deze ontwikkeling heeft er voor gezorgd dat RIFDtags alles om ons heen in een netwerk brengt, verbindingen kan maken met andere systemen en kan laten volgen via het internet. Dit kan zorgen voor ongekende mate van controle en surveillance, en kan op ons gedrag in worden gespeeld. Het zorgt er ook voor dat veel data wordt gewonnen om zo trends te identificeren die anders onzichtbaar zijn voor het menselijk oog.

Interface als een laag die altijd aanwezig is (Mitchell)

2003

Mitchell beschrijft de interface als een prothese dat is ingebed in de structuur van een stad. Het menselijk lichaam wordt verworven in de structuren van de stad omdat mobiele netwerkapparaten de traditionele grenzen tussen ons en onze omgeving vervaagd. Interfaces moeten niet alleen worden gezien als bemiddelende apparaten die ons in dagelijkse routines integreren, maar in een dieper sociaal en cultureel proces.

Nieuwe-media vormen en veranderen onze opvatting over geschiedenis (Reading)

2003

Reading kijkt naar de manier waarop nieuwe-media onze opvattingen over geschiedenis vormen en veranderen. Zij stelt dat door analyse van historische instituties en hoe zij met nieuwe-media omgaan, wij er achter kunnen komen hoe nieuwe technologieën bemiddelen tussen historische evenementen en het begrip van het publiek. Zij stelt dat zulke media niet alleen geschiedenis herproduceert, maar daardoor misschien ook wel wat we weten.

Archief als verlengde van privéleven (Appadurai)

2003

Appadurai stelt dat archieven op het internet moeten worden gezien als het verlengde van ons privéleven. Doordat onze levens publiekelijk worden, wordt daarmee de capaciteit van het collectieve geheugen uiteebreid.

Democratisering van het archief (Appadurai)

2003

Appadurai stelt dat dankzij het internet archieven steeds democratischer worden: iedereen heeft toegang tot archieven, kan ze beheren en aanpassen. Het individu krijgt meer vrijheid door de techniek.

Verandering menselijk geheugen door verandering archieven (Appadurai)

2003

Appadurai is mening dat de structuur van het menselijk geheugen is veranderd door de democratisering van het archief. Zo weten mensen minder dingen uit hun hoofd.

Interactiviteit beloofde ongelimiteerde interactie (Graham)

2004

Graham stelt dat interactiviteit ongelimiteerde interactie tussen gebruikers en machines belooft. Tot op een zekere hoogte is dit ook bereikt, maar dat interactie het lichaam of geografie overstijgt is nog niet bereikt. Digitale technologieën zijn integraal geworden in ons dagelijks leven en hebben hun plek ingenomen in onze omgeving. Volgens hem is er geen sprake van verhoogde interactie in het nieuwe-mediatijdperk, omdat wij nu allerlei transformaties ondergaan waar oude- en nieuwe technologieën met elkaar verbonden worden.

Interactiviteit als verkoopstrategie (Kirkpatrick)

2004

Volgens Kirkpatrick werd in de jaren negentig het woord interactiviteit door de computerindustrie gebruikt om de nieuwe computertechnologie te hypen en zo makkelijker te verkopen

pro-am (Leadbeater and Miller)

2004

pro-ams are
“innovative, committed, and networked amateurs working to
professional standards

Interactiviteit en het Web 2.0 (Thrift en Gane en Burrows)

2005 - 2008

Met de opkomst van Web 2.0 is een nieuwe vorm van interactiviteit ontstaan: gebruikers kunnen tegelijkertijd ook de producers zijn, omdat zij deelnemen in de constructie van online ruimtes en tegelijkertijd de informatie dat gegenereerd is door andere gebruikers consumeert. Op deze manier zorgt nieuwe media voor vrijheid en democratie op het internet. Nieuwe-media dient daardoor ook kritisch bekeken te worden, omdat zij informatie produceert over haar gebruikers dat van economisch belang kan zijn. Thrift stelt dat doordat wij zoveel consumeren middels nieuwe-media, wij informatie produceren dat interessant is voor de kapitalistische markt. Zo wordt er bijvoorbeeld voorrang gegeven aan klanten die het beste profiel hebben. Ook is de combinatie van zulke informatie met informatie over onze leefomgeving erg interessant voor het kapitalisme, omdat zo classificaties kan worden aangebracht aan verschillende consumenten en daar kan weer op worden ingespeeld, aldus Gane en Burrows.

Archief als een polyfonie van bronnen (Hannoum)

2005

Volgens Abeldmajid Hannoum bestaat het archief uit een polyfonie van bronnen. In de onlinegebruiksvriendelijke archieven wordt dit idee naar een hoger niveau getild, namelijk dat die bronnen gemakkelijk aangepast en aangevuld kunnen worden door die gebruiker

Sociale interfaces (De Souze e Silva)

2006

De Souze e Silva stelt doordat interfaces ingebed zijn in ons dagelijks bestaan zij onze perceptie van onze omgeving bepalen, evenals de interactie met de mensen om ons heen. De sociale-interface is een digitaal apparaat dat relaties bemiddelt tussen twee of meer gebruikers. Elke verandering in de betekenis van een interface heeft een herziening nodig van de relaties en ruimtes die de interface bemiddelt. Een belangrijk punt hierin is dat nieuwe media-interfaces virtuele en echte ruimtes met elkaar verbindt en daardoor bijna onafscheidelijk van elkaar zijn.

produser (Bruns)

2007

producer <> user

Interface geven onbewust data van ons prijs (Hayles)

2007

Hayles uit haar zorgen over deze verborgen technologieën en stelt dat wij onbewust data prijsgeven over onszelf en dat de ethiek van die ontwikkelingen kritisch moet worden bekeken.

Archief: expertise en leken zijn niet meer uit elkaar te houden (Keen)

2007

Volgens Keen kan iedereen, leek of expert archieven aanpassen met de democratisering van archieven. Hij ziet hierin een gevaar voor de intelligentie van de mens.

Interfaces nemen deel aan het systeem (Gane en Beer)

2008

Volgens Gane en Beer zorgen interfaces voor de doorstroom van informatie tussen het menselijk lichaam en verschillende media. Daardoor zitten interfaces niet passief tussen systemen, maar nemen ze deel aan het systeem.

Nieuwe media lijken interactief, maar zijn dat niet (Gane en Beer)

2008

Volgens Gane en Beer lijken nieuwe-media alsof ze erg interactief zijn, maar dat eigenlijk niet zijn. Nieuwe-media werken met een gelimiteerd aantal voorgeprogrammeerde opties waaruit wij kunnen kiezen en ons gebruik structureren.

Interface is geen neutrale bemiddelaar (Gane en Beer)

2008

Gane en Beer stellen dat een interface niet een neutrale bemiddelaar is, omdat het informatie vormt en daarmee de betekenis van de vertaling tussen apparaat en de mens.

Interface navigeert over grenzen verschillende systemen (Gane en Beer)

2008

Volgens Gane en Beer is het belangrijkste element van een interface dat zij navigeert over de grenzen van verschillende objecten en systemen.

Kunst

Metropolis

1927

Een van de eerste films met special effects. In Metropolis werd een hele futuristische stad gecreëerd door middel van het Schüfftanproces, waarbij speciale spiegels werden gebruikt om de acteurs voor een achtergrond van schaalmodellen van gebouwen te plaatsen.

Dial M for Murder

1954

Niemand minder dan Alfred Hitchcock (1899-1980) maakte een van de meest geslaagde 3D-films in de jaren ’50: Dial M for Murder. Hitchcock paste 3D op een subtiele en effectieve wijze toe om nog meer suspense te genereren in deze thriller met Grace Kelly (1929-1982) in de hoofdrol.

Video kunst

1965

In haar verschillende varianten als installatie of op zichzelf staande film is de ontwikkeling van de videokunst sterk gekoppeld aan de mogelijkheden op het gebied van opname- en bewerkingstechniek. Pioniers op het gebied van de videokunst zijn de Koreaan Nam June Paik en de Duitser Wolf Vostell. In het begin van de jaren zestig hielden zij zich als eersten op een destructieve en manipulatieve wijze bezig met televisie als massamedium.

Bohemian Rhapsody

1975

Queen' s Bohemian Rhapsody wordt gezien als de eerste music video.

Close Encounters of a Third Kind

1977

De allereerste digitale animaties verschenen in de vorm van lichteffecten en lasers in Close Encounters of the Third Kind van Steven Spielberg

Desktop Is (Alexei Shugin)

1997

Personalisation

Ten Circles (Felici Varini)

1999

Felici Varini is een kunstenaar die zijn schilderkunst toepast op architectuur. Zijn schilderingen worden gekarakteriseerd door een verdwijnpunt waarvandaan de kijker de gehele schildering, meestal geometrische vormen, kan zien. Vanaf andere verdwijnpunten zijn alleen stukken van de schildering te zien.

MY%20DESKTOP (Jodi.org)

2002

Media Realism

Steve Museum

2005

Steve Museum is een sociale tagging project, dat nauw samenwerkt met musea. Het idee is dat een museum "Steve" inhuurt om zo de termen te inventariseren waarmee de bezoekers een kunstwerk beschrijven en die 'tags' te verbinden met hun archieven. Het is namelijk zo dat museumbezoekers hele andere termen gebruiken bij het zoeken naar een kunstwerk dan de termen die conservatoren gebruiken binnen het archief. Steve maakt dus gebruik van Folksonomie.

Pulse Park (Rafael Lozano-Hemmer)

2008

Pulse Park is een kunstwerk bestaande uit een matrix, in een ovale vorm, van lichtstralen waarvan de intensiteit geheel geregeld wordt door de sensoren die de hartslagen meet van de participanten. Elke lichtbron is namelijk verbonden met een sensor die de participant beet kan pakken en zo diens hartslag meet.

YouTube as a Subject (Constant Dulaart)

2008

C-MON & KYPSKI: “MORE IS LESS”

2009

LIFE IN A DAY

2010

“directed by Kevin Macdonald,
produced by Ridley Scott and shot by you”

Eraserhead in 60 Seconds with Clay

2011

PARTICIPATORY CULTURE:
“DAVID LYNCH” ON YOUTUBE

Once Upon (Olia Lialina & Dragan Espenschied)

2011

Web Archaeology

TOS (Constant Dulaart)

2011

Corporate Control

Gallery of Lost Art (Tate Modern)

2012

http://galleryoflostart.com/ is een interactieve website ontwikkeld door het Tate Modern, waarin aan de hand van documentatie uit hun archieven verloren, beschadigde en gestolen kunstwerken zijn gereconstrueerd.

Angry Birds All Levels (Evan Roth)

2012

Facebook Demetricator (Ben Grosser)

2012

Subjectivity

Desktop Views (Adam Cruces)

2012

Personalisation

cmdshi=3.net (Emilio(Gomeriz)

2012

Formal Realism

Economische en Culturele ontwikkelingen

Italië en Frankrijk machtigst in filmwereld

1896 - 1914

Italië en Frankrijk hadden tot de Eerste Wereldoorlog het meeste macht in de filmwereld. Vanwege de Eerste Wereldoorlog stortte de Europese filmwereld in elkaar.

Hollywood

1914 - 2013

Vanwege de Eerste Wereldoorlog viel de filmwereld in Europa op zijn gat, waardoor de filmindustrie in Amerika op gang kwam en de markt overnam.

Hyperspace

1993 - 1995

SF notion of a spaceship taking a shortcut (faster than light) through higher-dimensional space.

Cyberspace

1995 - 1998

Also SF notion (“consensual hallucination”) albeit in the postapocolyptic tradition with pirates, rumor-mongerers, pornographers. ‘Outer space’ connotations, with
‘sea of information,’ ‘web as jungle,’ and ‘cyberia'.

  • Hypertext theory (surfer as the author, path as story) – you are the writer of your own story, navigating your own story. Your path is also saved by the browser history.

  • Taxonomic, new web library sciences: A lot of the early projects wanted the organize the web, because they looked at it as if it were a library.

Network Space

1998 - 2002

Use links as measurement devices instead of using it as a path.

Rise of ‘Google scientometrics’, the great citation machine – people referencing each other.

Network space marked the death of the online library.

Myspace

2002 - 2005

Marked the realization of Daily Me.

Example: we would no longer all be getting the same news (favorite section of the newspaper, favorite type of news – customize your own newspaper).

Locative Space

2005 - 2008

IptoGeo technology – Yahoo! lawsuit in France, 2000, resulted in tailoring content to user’s location (also of interest to advertising). Lawsuit concerned the selling of nazi-books from countries where these weren’t forbidden, to countries where these were forbidden. Solution was tailoring content to user’s location. Borders online. Web was location-based; advertisements in Dutch, when you’d go to google.com, you’d be redirected to Google.nl.

Social Space

2008 - 2011

Web went from information based to socially based. ‘Friends’ recommend and are recommended. The logic of recommending remained, now friends were being recommended. Most of the social network sites are now in decline.

Cloud Space

2011 - 2013

Wholesale transfer of cultural memory to corporate servers.